• Bronchitis en andere longaandoeningen. Bij veel longziekten zijn de longen veel kwetsbaarder voor infecties geworden doordat de afweer minder is gaan functioneren. De trilhaartjes kunnen bijvoorbeeld uit de luchtwegen verdwenen zijn, waardoor het klaringsmechanisme van de long sterk is verminderd. Ook is het mogelijk dat bepaalde longcellen een minder goede afweerfunctie hebben (minder macrofagen). Daarom moet de kans op besmetting zo laag mogelijk worden gehouden. Voor werkzaamheden waar veel biologische agentia vrijkomen zijn zij minder geschikt. Overleg met de behandelende arts is noodzakelijk.
• HIV/aids. Vooral mensen met aids zijn extra gevoelig voor organismen die voor een gezond iemand absoluut onschadelijk zijn. Deze lijders zijn ongeschikt om in een organismerijke omgeving te werken. Men moet zeker rekening houden met: Candidiasis (oraal, keel of vaginaal) en andere schimmels zoals Cryptococcosis en Pneumocystis pneumonia (ernstige pneumonie). Herpes simplex virus (oraal of genitaal), CMV (oog), Mycobacterium Avium Complex, Toxoplasmose (hersenen), TBC, Cryptosporidiosis (diarree), Histoplasmose.
• Kwaadaardige tumoren. Hierbij is de afweer door de ziekte zelf vaak verminderd. Daarnaast gebruiken de patiënten medicijnen die de afweer nog eens extra onderdrukken (cytostatica). Dit geldt ook voor bloedziekten zoals leukemie (zie kader).
|
Sommigen zijn extra gevoelig |
• Infiltratieve en hematologische aandoeningen
|
Sarcoidose |
Lokale superinfectie, bijvoorbeeld in de long |
|
Hodgkin en andere maligne lymfomen |
Schimmels (Pneumocystis, Cryptokokkus, Candida), mycobacteria, Toxoplasma, Listeria, Cryptosporidum, (reactivatie van) herpesvirussen zoals CMV. |
|
Leukemie |
|
|
Myeloom |
Ingekapselde bacteriën:
|
|
Agranulocytose en aplastische anemie |
Gram-positive kokken, gram-negative bacilli, Candida, Aspergillus, Fusarium, Trichosporon |
|
Overige maligniteiten |
Immunosuppressie vooral gevolg van behandeling |
• Diabetes mellitus (suikerziekte). Diabetici zijn extra gevoelig voor infecties. Het gaat vooral om infecties van de huid in de plooien en tussen of aan de tenen. Het optreden van infecties wordt bevorderd door een niet optimale bloedcirculatie als gevolg van atherosclerose (aderverkalking). In de eerste plaats rekening houden met Candidiasis. Daarnaast met andere schimmels en Streptococcen. Blaas-, nier-, mond-, vagina-, wond- en voetinfecties.
• Milt-, lever- en nieraandoeningen. Al deze organen hebben een eigen functie bij de afweer tegen infecties. Deze afweer is vaak op onvoorspelbare wijze verminderd wanneer het orgaan niet of slechter functioneert.
• Hartklepgebreken. Op de hartkleppen kunnen zich zeer gemakkelijk organismen nestelen die in de bloedsomloop zijn geraakt, zoals streptococcen. Deze infecties leiden tot ontsteking van de binnenbekleding van het hart (endocarditis) en tot slecht functioneren van de hartkleppen.
• Hypothyreoidie. Mogelijk vaker bacteriële infecties en chronische candida
• Nefrotisch syndroom. Van hoog naar lagere frequentie voorkomen in de volgende organen: ademhalingsorganen (respiratoir), maag-darmkanaal (gastro-intestinaal), huid, gewrichten en hersenvliezen (meninges):
-
Ingekapselde bacteriën:
- Haemophilus influenza
- Neisseria meningitidis (meningokok)
- Streptococcus Pneumoniae (pneumokok)
- Stafylococcus pyogenes
- Stafylococcus aureus
- Respiratoir: Bordetella pertussis (kinkhoest)
• Protein-loosing enteropathiëen. Ernstige grampositieve infecties, stafylococcus pyogenes, stafylococcus aureus. Respiratoir: bordetella pertussis (kinkhoest)
• Uremie. Werknemers met een ernstige nierfunctiestoornis die bijvoorbeeld de buikspoelingtechniek (peritoneaal dialyse) gebruiken, hebben vaak een hoog ureum en zijn daardoor gevoeliger voor infecties met: herpesvirussen, schimmels, protozoa, verschillende bacteriën.Bovendien geven vaccinaties vaak een ernstige reactie of zijn onwerkzaam.

