Zoek

Infectieziekten A-Z
Lyme erkend als beroepsziekte.
10-02-2009

Een Zeeuwse politieagent met de ziekte van Lyme, die jarenlang buiten werkzaam was, onder andere bij het opsporen van stropers, heeft z’n ziekte door de rechter als een beroepsziekte erkend gekregen. De agent heeft ten eerste aannemelijk gemaakt dat hij aan de ziekte lijdt en daardoor verminderd arbeidsgeschikt is en ten tweede dat hij tijdens z’n werk in hoge mate aan tekenbeten was blootgesteld.

Het argument van de werkgever dat men toen (1985!?) al nauwsluitende kleding verstrekte als preventieve maatregel, overtuigde de rechter niet mede omdat pas omstreeks 1996 de eerste RI&E gemaakt is en met een arbeidsomstandighedenbeleid gestart is. Tevens bleek uit de arbeidsanamnese dat de kans op Lyme in het werk vele malen hoger was dan in het privéleven van betrokkene.Ook het argument van de werkgever dat honderden agenten hetzelfde werk hadden gedaan zonder Lyme te hebben opgelopen, werd terzijde geschoven omdat de agent nu juist wel Lyme had.

Dit is een leerzame zaak voor iedere bedrijfsarts omdat aan de hand van het vonnis inzicht krijgt hoe er juridisch met een beroepsinfectieziekte wordt omgegaan. Een beroepsinfectieziekte is iedere infectieziekte in of door het werk opgelopen. Dit betekent dat iedere buitenwerker kans loopt op de Lymeborreliose als beroepsziekte!

Opmerkingen redactie KIZA naar aanleiding van dit vonnis:
In 1985 deed nog bijna niemand aan lymeprofylaxe, wat ook nu nog regelmatig het geval is. Zou de politie een gunstige uitzondering zijn geweest? De werkgever kon op geen enkele wijze bewijzen ook maar iets aan preventie gedaan te hebben.

Dit pleit ervoor om alle mogelijke biologische risico’s in kaart te brengen en er tegelijkertijd noodzakelijke maatregelen bij te vermelden. De RI&E is daartoe volgens de Arbo-wet en het arbo-besluit het geëigende instrument. De verplichting tot risico-inventarisatie bij biologische agentia gaat overigens veel verder dan bij andere soorten belasting.

Het argument dat je een ziekte overal kan oplopen is geen sterke in dit soort zaken, omdat de bewijslast voor het NIET hebben opgelopen in het werk, bij de werkgever ligt. Juist door werkgebonden zaken als een verhoogde kans op blootstelling (door aanwezigheid van meer bronnen) EN een verhoogde blootstelling: intenser (vaak door de aard van het werk, zoals hier langdurig liggen in de struiken) en frequenter (dagelijkse arbeid) is de waarschijnlijkheid van de ziekteoorzaak in het werk, meestal veel groter dan in de privésituatie.

De Arbowet eist een preventiebenadering dat wil zeggen alles doen wat men kan, tenzij redelijkerwijs dit niet mogelijk is. Dat “redelijk:” is geen emotionele zaak, maar een rationele. Alleen wetenschappelijke, technische en praktische redenen kunnen een verontschuldiging vormen. En dat is in individuele zaken niet vaak het geval. Financiële redenen kunnen ook meegenomen worden, maar ook dat is in de praktijk zelden een reden om minder te hoeven te doen.

Een gunstig neveneffect van deze zaak kan zijn dat werkgevers (en hun professionele adviseurs) gewezen worden op hun verantwoordelijkheid. Laat zie wat de gevaren en de risico’s zijn, geef aan wat er aan gedaan moet worden.

De wetgever gaat er van uit dat de werkgever over de middelen beschikt zoals kennis, overzicht, uitvoeringsmacht en geld. Daarom is deze werkgever ook verantwoordelijk voor preventieve maatregelen EN voor vergoeding van de schade als het misgaat. De werkgever, de werknemer en de samenleving mogen ervan uit gaan dat de arbodienst professioneel genoeg is om zodanig te adviseren dat dit soort beroepsziekten meestal zal worden voorkomen.